Een opdracht voor het vak toneel aan de schrijversvakschool. De opdracht was: schrijf een monoloog voor een bekend figuur (dood, levend, fictief).

Vanaf mijn zesde jaar af heb ik steeds met de meest mogelijke beslistheid verklaard, dat ik, net als Pa en Julius, dokter wou worden. Geen ogenblik is toen of later de gedachte bij mij opgekomen, dat dit voor een meisje moeilijk zou gaan. Thuis werd immers tussen jongens en meisjes generlei verschil gemaakt. Geweldig vond ik het, wanneer Pa mij weer eens mee nam naar één van zijn patiënten en met mij over hun ziekte sprak.

Het was voor mij dan ook ten zeerste teleurstellend dat ik de jonge damesschool moest bezoeken. Ik kon mij geenszins interesseren in kunst en handwerken. En het leren van goede manieren en het kunnen houden van een sprankelende conversatie hadden voor mij een andere betekenis. Veertien dagen, zolang heb ik het volgehouden. Uiteindelijk hebben Pa en Ma een compromis met mij gesloten: des ochtends zou ik Ma in het huishouden helpen. Des avonds kreeg zou ik les krijgen in de Franse en Duitse taal. Toch werd ik elke dag lustelozer en had niets mijn belangstelling meer. De malaria aanvallen, waaronder ik vroeger dikwijls had geleden, kwamen terug. Ondraaglijke hoofdpijnen kwelden mij soms. Ik droeg ze in stilte. Ziek worden, doodgaan misschien, betekende immers een verlossing uit de ellende.Wat was de zin van dit bestaan? Ik mocht toch niets worden omdat ik een meisje ben.

Julius… Met Julius hield ik vele gesprekken. Ik kan me nog herinneren dat hij mij dikwijls vertelde over een toekomst waarin ook ik medicijnen zou studeren. Mijn gesprekken met hem gaven mij moed. Mijn hoofdpijnen werden minder en van Pa leerde ik de Griekse en Latijnse taal. Zodoende is het mij gelukt om op den zesentwintigste juli 1870 het examen van leerling apotheker te voltooien. En met Pa’s aandringen heeft directeur Rensen mij uiteindelijk aangenomen om te studeren aan de Hogere Burgerschool. Nergens was namelijk bepaald dat meisjes niet als toehoorders mochten worden aangenomen en met Thorbecke als minister durfde hij het gerust te wagen.

In den beginne van 1871 kwam mij ten gehore dat een jongeman wilde trachten op basis van het leerling apothekersdiploma vrijstelling op het admissie examen te krijgen. Dit  maakte, dat ik minister Thorbecke een brief schreef en hem om dezelfde vrijstelling vroeg. Uiteindelijk, na enkele malen met mijn vader gecorrespondeerd te hebben, kwam zijn toestemming dat ik mocht gaan studeren aan de Groningse Hogeschool.

Kort na aanvang van mijn studie, las ik in de krant dat minister Thorbecke ernstig ziek was. Dit deed mij besluiten tentamens af te leggen. Mijn gunstige resultaten heb ik hem toegezonden, ten samen met het verzoek voor zijn definitieve goedkeuring. Twee dagen na zijn dood, op den vijfden juni 1872, ontving ik de in rouwrand vervatte toestemming. Zij was gedateerd den dertigsten mei 1872, en in een begeleidend schrijven werd mij mede gedeeld, dat het het verlenen van dit verlof behoord had tot ’s Ministers laatste ambtsbezigheden.